Kwaliteiten en kansen Exel. Proces en resultaten van het leefbaarheidsonderzoek

Wesley Aalbers deed in het kader van zijn bachelorafsluiting sociologie aan de Radboud Universiteit van Nijmegen onderzoek voor de Belangenvereniging Exel en Omstreken (BEO). In dit artikel geeft hij aan hoe hij dit onderzoek heeft opgezet zodat ook andere dorpen hiermee kunnen werken. Het artikel sluit af met aandachtspunten die relevant kunnen zijn voor andere kleine kernen zoals Exel (600 inwoners). Het volledige onderzoeksrapport kunt u hier downloaden.

In de Kleine Kernen Koerier van juni is reeds bericht over een leefbaarheidsonderzoek onder de inwoners van Exel en omstreken in opdracht van de plaatselijke belangenvereniging (BEO). Inmiddels is het onderzoeksrapport ‘Kwaliteiten en kansen’ alweer enkele maanden geleden gepresenteerd aan de BEO en niet zonder gevolg. In dit artikel hoop ik inzichtelijk te maken hoe de werkwijze bij een dergelijk onderzoek ook in uw dorp of gemeenschap toepasbaar kan zijn. Ook vertel ik u graag wat meer over de relevantie van de uitkomsten van het rapport voor de Exelse belangenvereniging en de mogelijke implicaties voor kleine kernen waar soortgelijke actuele thema’s spelen.

Van vraag naar antwoord; een stappenplan aan de hand van aandachtspunten:

  1. Beantwoord de vraag: in hoeverre kan onderzoek aan de hand van een vragenlijst een oplossing bieden?
  2. Stel de vragenlijst op: geldige vragen en geldige antwoordmogelijkheden
  3. Bepaal de doelgroep
  4. Bepaal de methode
  5. Anonimiteit

1. Beantwoord de vraag: in hoeverre kan onderzoek aan de hand van een vragenlijst een oplossing bieden?
Op het moment dat u als dorpsbelangenorganisatie (of in welke rol dan ook) bedenkt dat een enquête onder de inwoners van uw gemeenschap, dorp of streek wellicht een antwoord kan bieden op een vraag die bij u leeft, is daar als het goed is al een (impliciet) proces van probleemstelling en zoeken naar oplossingen aan vooraf gegaan. Bij een losse bout in de schommel van de plaatselijke speeltuin schrijft u niet de gehele bevolking aan met de vraag of deze linksom of rechtsom vastdraait (het antwoord is rechtsom); wilt u weten op welke subsidieregelingen een beroep gedaan kan worden om een dorpshuis te realiseren, dan belt u iemand die meer kan vertellen over die regelingen. Het probleem, de vraag, de thema’s die in uw kern spelen zijn meer complex en vragen de input van een groot deel van de bevolking. Dat moet altijd het startpunt zijn.

Welke thema’s spelen er en in hoeverre kan onderzoek aan de hand van vragenlijsten hierbij een oplossing bieden? In Exel is gekozen voor deze onderzoek aanpak omdat men de sociale cohesie en belangenbehartiging op meer onderbouwde wijze wil vormgeven,  waardoor inzicht werd gezocht in thema’s als demografie, bevolkingssamenstelling op het gebied van opleiding en werk, de sociale binding en participatie in het gebied en het potentiële draagvlak voor enkele voorzieningen. De voorbeelden in bovenstaande alinea waren wellicht wat flauw, maar niet altijd is even evident of een thema zich leent om in een enquête onderzocht te worden. Stel u wilt ideeën over de inrichting van een nieuw speeltuintje, hoe gaat u dan om met de vrijwel eindeloze mogelijke combinaties van schommel, klimrek, duikelrek, wipwap, glijbaan, trampoline, et cetera? Een enquête zal niet de oplossing voor uw probleem bieden. Gaat het nog tussen het klimrek en het duikelrek om naast de schommel te staan? Prima, gooi overal (of beter nog, gezien de doelgroep, bij alle huishoudens met kinderen) een briefje door de brievenbus met deze keuze en een week later weet u precies waar het meest behoefte aan is.

De vragenlijst

2. Geldige vragen en geldige antwoordmogelijkheden
Eigenlijk is die beslissing de meest belangrijke stap. De verkeerde onderzoeksmethode is problematischer dan een verkeerde vraag in uw enquête. Waarmee we wel aangekomen zijn bij een volgende stap; het samenstellen van de vragenlijst. Hierbij zijn twee zaken met name van belang; de geldigheid van uw vragen en de geldigheid van uw antwoordmogelijkheden. Bij dat eerste gaat het erom dat u meet wat u wilt meten, ook wel validiteit genoemd. Stel u wilt weten hoe inwoners staan tegenover de mogelijke komst van een asielzoekerscentrum in het gebied, dan heeft de vraag “Wat vindt u van asielzoekers?” een lage validiteit. Mogelijk staat men wel positief tegenover asielzoekers, maar heeft men om andere redenen wel weerstand tegen de komst van een asielzoekerscentrum in het gebied. De valide vraag is “Wat zou u vinden van de komst van een asielzoekerscentrum in dit gebied?”.

Vervolgens moeten de antwoordmogelijkheden natuurlijk ook aansluiten bij de vraag en te interpreteren zijn. Dat laatste betekent bijvoorbeeld dat u spaarzaam moet zijn met open vragen. Bij een vraag als in dit voorbeeld zou dat tientallen of honderden verschillende antwoorden opleveren die veel extra werk kosten, allemaal net iets anders zeggen en dus ook nog eens moeilijk te interpreteren zijn. Daarnaast genereren open vragen vaak meer non-respons (het niet beantwoorden van een vraag) dan meerkeuzevragen. Bij meerkeuzevragen is het natuurlijk wel zaak dat de antwoordmogelijkheden aansluiten bij de vraag. Dat betekent in dit voorbeeld dat u bij de valide vraag niet de antwoordopties “Ik sta positief/negatief tegenover asielzoekers” geeft, maar de antwoordopties “Zeer goed/goed/niet goed, niet slecht/slecht/zeer slecht”.

Doelgroep en methode

3. Bepaal de doelgroep
De vragenlijst dient dan natuurlijk ook nog verspreid te worden. Maar onder wie en hoe? De doelgroep spreekt vaak redelijk voor zich. Wilt u weten wat de leden van uw dorpsbelangenorganisatie van een door u georganiseerde activiteit vinden of wilt u weten wat de inwoners van de activiteiten in het dorp vinden?

4. Bepaal de methode
Dan blijft nog de vraag staan of u voor een digitale of fysieke verspreiding van de vragenlijst kiest. Of toch voor een telefonische of mondelinge afname van de enquête. Dat laatste zal in veel gevallen te duur en/of arbeidsintensief zijn, maar is bij meer specifieke onderzoeken met een kleine doelgroep vaak wel de beste optie. Of u voor een fysieke of digitale verspreiding van de vragenlijst kiest, maakt eigenlijk niet zoveel uit. De verschillen in snelheid en non-respons zijn zeer gering,  al bespaart een digitale distributie wel het nodige print-, bezorg- en optelwerk. In Exel is ervoor gekozen om de vragenlijst waar mogelijk in de digitale inbox te bezorgen, waarbij de huishoudens zonder bekend e-mailadres de vragenlijst in fysieke vorm door de brievenbus kregen.

5. Anonimiteit
Andere zaken waar rekening mee gehouden dient te worden zijn anonimiteit, sociaal wenselijke antwoorden, volgorde van vragen en uiteindelijke respons. Voor anonimiteit geldt dat als u naar de naam en/of contactgegevens van een respondent vraagt of de identiteit van de respondent anderszins makkelijk te achterhalen is, dit een negatief effect heeft op de respons en sociaal wenselijke antwoorden stimuleert. Datzelfde geldt voor moeilijke of mogelijk gevoelige vragen. Daarom begint u de vragenlijst met makkelijke vragen (objectieve kenmerken als leeftijd, geslacht, etc.) en stelt de mogelijk gevoeliger vragen pas richting het eind van de vragenlijst. Dit alles is van belang omdat sociale wenselijkheid en non-respons de betrouwbaarheid van het onderzoek aantasten. Dit betekent dat u met minder zekerheid kan stellen dat de uitkomsten van uw onderzoek ook daadwerkelijk overeenkomen met de situatie in de gehele doelpopulatie. De betrouwbaarheid van het onderzoek bepaalt in grote mate de stelligheid waarmee u de resultaten mag interpreteren en daarmee de stevigheid van het fundament om vervolgstappen te ondernemen. Voor het onderzoek in Exel betekende dit bijvoorbeeld dat de vragen naar de bereidheid zich als vrijwilliger in te zetten voor de gemeenschap ondergebracht zijn in een aparte vragenlijst die niet aan de oorspronkelijke vragenlijst was gekoppeld, aangezien hierin naar contactgegevens werd gevraagd indien het antwoord positief was.

Meer handzame informatie over onderzoek aan de hand van enquêtes kunt u bijvoorbeeld vinden in het boek ‘Onderzoek met vragenlijsten; een praktische handleiding’ van Wil Dijkstra en Jan Smit (1999; VU Uitgeverij Amsterdam) of  u kunt een paar euro besparen en uw geluk beproeven op het wereldwijde web.

 

De uitkomsten voor Exel

De belangrijkste conclusie uit het rapport ‘Kwaliteiten en kansen’ is dat de kansen voor het gebied Exel en omstreken (een kleine kern in de gemeente Lochem met ruim 600 inwoners) om op zowel korte als lange termijn de leefbaarheid en vitaliteit te behouden en te ontwikkelen, liggen in de reeds aanwezige kwaliteiten van het gebied. Dat wil zeggen: een actieve en betrokken gemeenschap enerzijds en de combinatie van ondernemerschap en een mooie woonomgeving anderzijds.

Wat betreft de actieve gemeenschap was er bijvoorbeeld nog wel wat te winnen, zeker na de sluiting van de basisschool medio 2013, op het gebied van sociale activiteiten en faciliteiten voor de plaatselijke jeugd. Op die manier zal de jeugd bovendien nog op enige wijze binding ontwikkelen met het gebied en haar inwoners, zodat zij op de lange termijn wellicht vaker in Exel blijven wonen. Wat betreft de ondernemende bevolking valt er, met name in het buitengebied, nog flink te winnen op het gebied van mobiele dekking en aansluiting op het internet. Ook een verbetering op dit punt zou weer niet alleen op korte termijn een positieve invloed hebben op de leefbaarheid voor de reeds aanwezige ondernemers, maar ook op lange termijn de gemeenschap vitaal kunnen houden doordat goede voorwaarden voor het onder jonge werknemers en ondernemers populaire flexwerken en thuiswerken kan bijdragen aan het behouden of doen terugkeren van studenten en jonge professionals.

Deze punten zijn ook teruggekomen in een lijst van twaalf aanbevelingen waarmee het rapport is besloten. Daarmee was het doel echter nog niet bereikt. Het doel van de BEO was de activiteiten en belangenbehartiging beter te kunnen vormgeven. Daartoe is men in Exel ook al met enkele punten aan de slag gegaan. Liefst drie vliegen hoopt de BEO in één klap te slaan door in de plaatselijke horecagelegenheid ‘De Exelse Molen’ faciliteiten te creëren waarin aan de sociale behoeften van zowel jongeren van middelbare schoolleeftijd als de jongere jeugd alsook de inwoners die de 60 naderen of gepasseerd zijn, tegemoet wordt gekomen. Hiertoe heeft men een subsidieaanvraag ingediend waarbij de cijfermatige onderbouwing uit het enquête-onderzoek een belangrijke bouwsteen is.

Ook gaat de BEO binnenkort met de gemeente in gesprek omdat blijkt dat er enige discrepantie is tussen de formele afbakening van Exel en de mate waarin men zich in de gebieden die daarbuiten vallen bovenal als Exelnaar beschouwd en participeert in gemeenschapsactiviteiten. Daarnaast heeft de aanbeveling om de veiligheid van de belangrijkste fietsroutes vanuit het gebied naar basisscholen in naburige kernen te evalueren gevolg gekregen dankzij een groep ouders die dit ook daadwerkelijk opgepakt heeft. De BEO denkt in de komende jaren bovendien nog veel vaker uit het document te putten.  

 

Mogelijke relevantie voor andere kleine kernen

Elk gebied en elke kern heeft haar eigen kenmerken en kwaliteiten die ongetwijfeld steeds andere kansen bieden, waardoor het natuurlijk eigenlijk de aanbeveling verdient om in elk dorp waar de situatie zich daarvoor leent een eigen onderzoek uit te voeren. Toch zijn er enkele bevindingen die redelijkerwijs te generaliseren zijn naar kernen van soortgelijke omvang of waar soortgelijke thema’s actueel zijn.

Het evalueren en waar nodig verbeteren van de fietsroutes naar basisscholen in nabijgelegen kernen is bijvoorbeeld een aanbeveling die zeer evidente relevantie heeft voor andere kleine kernen waar de basisschool verdwijnt. Als de basisschoolkinderen in deze nieuwe situatie in grote mate op de fiets naar school gaan (wat in Exel het geval is), komt er immers een relatief grote, onervaren en kwetsbare groep weggebruikers bij. Tussen het dagelijkse verkeer kan dit ernstige veiligheidsproblemen met zich meebrengen.

Zeker in deze kernen waar net als in Exel de school verdwijnt, verdient het de aanbeveling om te investeren in sociale activiteiten en/of faciliteiten voor de jeugd. Verdwijnt de school naar een andere kern, dan verdwijnen ook de vriendjes naar een andere kern, dan verdwijnen ook de buitenschoolse activiteiten naar een andere kern, dan blijft er kortom weinig over voor de jeugd om enige binding op te bouwen met de kern waar ze wonen. Investeren in sociale activiteiten en faciliteiten voor de jeugd is kortom een manier om ook de vitaliteit van de gemeenschap als zodanig een (lange termijn) impuls te geven.

"Zo kunnen eigenlijk alle bevindingen onder specifieke condities in andere kernen toepasbaar zijn, maar het gaat wat ver deze hier allemaal te beschrijven. De belangrijkste les die ik aan kleine kernen als Exel wil meegeven is dat de kansen op het gebied van leefbaarheid en vitaliteit veelal liggen in kwaliteiten die reeds aanwezig zijn. Dorpen als deze zullen nooit een hoog voorzieningenniveau realiseren of duizenden mensen aantrekken, maar dat hoeft ook niet. Belangrijker is de leefbaarheid in de kern en de vitaliteit van de gemeenschap. Door te ontdekken wie en wat er leeft, kan ook uw dorp met het stimuleren van de leefbaarheid op korte en vitaliteit op lange termijn twee vliegen in één klap slaan."

 

Wesley Aalbers